Login

Gebruikersnaam
Password *
Onthou mij

Memories...

 

Zo mooi wordt het nooit meer
Als die allereerste keer…
(Harry Jekkers)

Laat me schrijven over de liefde. Straks jaagt het voorjaar de kou uit de lucht, de bodem en onze botten. Eindelijk beginnen de narcissen op te komen. Lente, het jaargetijde van nieuwe kansen en oude dromen.

Op televisie kijk ik naar een uitzending van Memories. Verloren geliefden zoeken elkaar nog 1 keer op. In een roeiboot zit een oude Italiaan die zijn hele leven wachtte op zijn eerste geliefde. Ooit, het mensenleven geleden, ontmoette hij haar in Nederland. Het meisje van de koude grond verloor ook haar hart aan hem. Op een steiger op een onbepaalde plek in Nederland staat ze nu op haar Italiaanse roeier te wachten.

In 1969 beleefden ze een kortstondige maar hevige liefdesaffaire. Hij ging terug naar Italië, zij zou blijven wachten in Nederland. Twee jaar lang bouwde hij aan hun gezamenlijke leven. Twee jaar waarin hij dromend van haar werk vond en een woning regelde. In die twee jaar schreef hij haar nooit een brief. Dat was niet nodig, ze zou op hem wachten. Maar toen ze eindelijk zijn eerste brief ontving was ze al getrouwd met een ander. Eén brief schreef ze hem nog. Eén antwoord op zijn verlangens, zijn dromen, zijn hoop. Met een paar simpele pennenstreken verwoestte ze zijn utopische toekomst.

Jaren later, in 1990, deed hij nog een laatste wanhopige poging. Een vurige liefdesbrief waarin hij haar zijn eeuwige trouw aan haar bezong. Maar de brief keerde terug: geadresseerde vertrokken, adres onbekend. Nu vertelt zij dat ze in 1990 net gescheiden was van haar eerste man. De voorzienigheid speelt soms een vuil spel.

Hij stopt met roeien en begint te huilen. Tranen van geluk. Tranen van verdriet. Tranen van alle onvervulde dromen, zijn onvervulde leven. Als ze even later op de steiger zitten zou een willekeurige, onbevooroordeelde voorbijganger een liefdeskoppel zien dat al jaren samen, maar nog steeds verliefd is. Soms is de werkelijkheid mooier dan dat ik verzinnen kan.

Aangestoken door alle romantiek op tv begin ik terug te denken aan mijn eerste stappen op het liefdespad. Zeker niet zo spectaculair als die van de Italiaan en zijn ongeduldige beminde, het zou de uitzending van Memories niet halen, maar wat zou het? Het zijn mijn herinneringen. De tijd heeft er een mooi patina overheen gelegd en waarheid op lege plaatsen ingekleurd met fantasieën.

Dus was ik 16 jaar, stond op een camping in Ede met mijn hele familie en verloor mijn hart aan Paula. We zoenden, het was mijn eerste echte kus, in een diepdonkere nacht van de Veluwe. Een weekend lang zweefde ik los van de grond. Lichter dan lucht was ik. Heel even droomde ik dat ze de ware was op wie ik altijd wachten zou. Puberverliefdheid, heerlijke ongeremde puberverliefdheid.

Het kon nooit iets worden, vond Paula. Zij woonde in Wieringerwerf, ik in Alkmaar. Een afstand die in haar beleving groter was dan in die van mij. Om haar ongelijk te bewijzen fietste ik op de eerste dag na dat amoureuze weekend naar de Wieringermeer, langs haar huis, door haar dorp, over het viaduct terug naar Alkmaar. Iets meer dan twee uur fietsen, heen en terug. Een eitje, vond ik. Een overbrugbaar eitje. Maar toen Paula in haar eerste brief schreef dat ze me toen had zien fietsen op de Alkmaarse weg richting Middenmeer ontkende ik in mijn antwoordbrief daar ooit gefietst te hebben. Ik wilde vooral niet wanhopig lijken.

Natuurlijk was ze niet de ware. Maar jarenlang hebben we elkaar nog geschreven. Nooit van verliefdheid, hoe gek dat ook mag lijken. Alsof het niet begonnen was met een kus op een donker zandpad schreven we elkaar vooral ontspannen, jong vrolijke brieven. De enveloppen waren kunstwerkjes. Ze liggen nog allemaal op de vliering. Niet dat ik ze ooit nog lees, het bezit alleen al maakt me blij.

De jaren vorderde, de briefdichtheid werd steeds kleiner tot uiteindelijk één van ons het volgende antwoord niet meer schreef. Alles was geschreven, we werden ouder, onze levens vielen in andere plooien. Zij vond de man van haar leven, ik de vrouw. Zij leeft haar bestaan, ik het mijne. Maar nog altijd weet ik waar ze woont.

Als de Italiaan nu wel eens brieven geschreven zou hebben. Gewoon ontspannen grappen, leuke ontboezemingen, mooie verhalen. En als zijn beminde nu haar antwoorden had gestopt in enveloppen waarop ze rijmpjes schreef als: “When you’re sad, pick an Elephant, put it on you’re hat, then tomorrow you’re flat…” Dan hadden ze hun levens zonder spijt kunnen vervolgen. Dan was hij getrouwd met een Italiaanse, zij met haar Nederlandse man. Dan hadden ze nu niet zo innig omhelst samen berouw zitten hebben.

Misschien is dat wel wat Memories zo pijnlijk maakt. Het verlangen van deze mensen naar een liefde die nooit geweest zou zijn. Hun fantasie kleurde de rozen roder, het gras groener, de liefde liever.

 

 
 

Theo Koomen

 

Het is een kale, koude kruising in de polder. Rechts van de dijk waarop ik aan kom fietsen glinstert het zwarte ijs in de Schermerringvaart. De wieken van de museummolen, links van me, draaien zacht krakend in de schrale noordwester. Het stoplicht voor fietsers die de Noordervaart over willen steken staat altijd op rood.

Hier was het. Ik weet niet eens meer hoe oud ik was, maar op deze godverlaten plek verongelukte Theo Koomen. Niets herinnert eraan, behalve misschien de stoplichten. Ik heb mezelf altijd voorgehouden dat de verkeerslichten gekomen zijn na dat ongeluk. Of dat klopt weet ik niet en het doet er ook niet toe; nu staan ze er. Elke keer als mijn trainingsritje langs de kruising-Noordervaart leidt en ik op deze troosteloze plek door die stoplichten halt moet houden dwalen mijn gedachten even af naar Theo Koomen.

Het was in april 1984, leert Google me na mijn training. Ik was dus 16 jaar. Mijn tweede seizoen als wielrenner was net begonnen. Dromend van overwinningen reed ik rond op mijn oranje Vittorio-fiets die ik de zomer ervoor bij elkaar had verdiend in de Koekfabriek van Driehoek Banket. Zoals alle jongens in het peloton hoorde ik in mijn achterhoofd de stem van Theo Koomen al verhalen over de wonderen die ik op de fiets verrichtte. In werkelijkheid hield ik het voortrazende peloton zelden bij. In werkelijkheid werd ik doorgaans na een ronde of vijf gelost en half koers door het peloton ingelopen. Terwijl de stem van Theo in mijn gedachten nog excuses aan probeerde te voeren voor mijn slechte dag riep microfonist: “Gedubbelde renners, koers verlaten, jullie worden bedankt voor de moeite en volgende keer beter”. Dat was de realiteit van mijn rennersleven.

Maar ooit, wist ik, ooit blijkt mijn talent. Ik was een klimmer, dat moest wel. Een klimmer wordt op het vlakke nu eenmaal vaak gelost. Als ik de kans nu eens kreeg mijn klimtalenten te tonen, dan zou iedereen ineens in mij de toekomst van het Nederlandse wielrennen herkennen. En Theo Koomen riep: “moedertje, moedertje, wat gaat deze jongen hard. Jahahaaaa, kijk nu toch…het is waar, het is waar!!! De klokken van Alpe d’ Huez luiden…”

En toen was Theo Koomen ineens dood. Nooit zou hij met zijn commentaar de werkelijkheid van mijn overwinningen van een glanzende vernissage voorzien. En ik was echt aangeslagen. Tijdens mijn eerste ritjes na zijn dood stelde ik me voor hoe ik mijn eerste overwinning aan Theo opdroeg. In stilte zou ik de bloementuil op zijn graf zou leggen. Pathetiek en pubertijd gingen ook bij mij hand in hand.

De bloementuil kwam nooit. In 1985 eindigde mijn wielercarrière eerst in de Ziekte van Pfeifer en daarna in een opbloeiend uitgaansleven. In totaal had ik misschien 10 echte koersen uitgereden. Op hangen en wurgen had ik het peloton die keren net wel weten bij te houden. Stervend in de staart, dat wel. Nooit kwam ik ook maar in de buurt van de top twintig. En toen ik 25 jaar later weer de smaak van wielerwedstrijden proefde wist ik al dat mijn gebrek aan talent de beperkende factor zou zijn. De bergen die ik in de overbruggingsperiode van wielerleven naar wielerleven op de fiets beklom hadden me realiteitszin gebracht: een klimmer ben ik zeker niet. Maar nog altijd, ergens in mijn achterhoofd, als ik per ongeluk een keer voor het peloton uitrijd hoor ik hem: “moedertje, moedertje…”

Op die troosteloze kruising van de Noordervaart met de Molendijk herinnert niets aan het fatale ongeluk van Neerlands beroemdste sportverslaggever. Maar in mijn hoofd tuig ik elke keer weer een monumentje voor hem op.

 

 
 
Google+

Contact

  • De Telefooncentrale
    Koelmalaan 350 2.4 1812 PS Alkmaar
  • Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.
  • 072-844 98 48